Shift Van De Week #012
Kunnen we verdragen wat verandering verandert?
Veranderen vraagt moed. Dat is een gedachte die diep verankerd zit in hoe we naar ontwikkeling kijken. Wie een grens wil leren stellen, moet die grens durven uitspreken. Wie meer verantwoordelijkheid wil nemen, moet besluiten durven nemen. Wie anders wil leiden, moet oude gewoonten durven loslaten. En wie na uitval niet opnieuw in hetzelfde patroon terecht wil komen, zal op beslissende momenten iets anders moeten doen dan voorheen.
Daar is weinig tegenin te brengen. Verandering kan spannend zijn, juist omdat het vertrouwde niet voor niets vertrouwd is geworden. Maar misschien kijken we daarmee vooral naar één kant van het verhaal. Want wanneer iemand werkelijk verandert, ontstaat er ook voor de mensen om hem heen een nieuw moment: zij moeten reageren op iets wat niet meer helemaal verloopt zoals daarvoor. Misschien ligt juist dáár een deel van de verklaring waarom verandering zo vaak gemakkelijker wordt aangemoedigd dan werkelijk toegelaten.
Het beslissende moment komt erna
Een medewerker die voor het eerst duidelijk zijn grens aangeeft, heeft iets moeilijks gedaan. Maar daarmee is de verandering nog niet klaar. De vraag is wat er vervolgens gebeurt. Wordt zijn grens ontvangen als informatie? Of ontstaat onmiddellijk de vraag hoe het werk dan tóch afkomt? Wordt onderzocht wat er moet veranderen, of wordt vooral gezocht naar een manier waarop hij zijn grens iets flexibeler kan maken?
Hetzelfde geldt voor eigenaarschap. Een leidinggevende kan een medewerker ruimte geven om zelfstandig te beslissen. Het beslissende moment ontstaat misschien pas wanneer die medewerker een andere keuze maakt dan de leidinggevende zelf zou hebben gemaakt. Blijft de ruimte dan bestaan, of wordt zij — vaak met heel begrijpelijke argumenten — weer kleiner?
Ook openheid wordt pas werkelijk interessant nadat iemand zich heeft uitgesproken. Een team kan afspreken dat alles gezegd mag worden. Maar wanneer een collega tijdens een vergadering benoemt dat een besluit volgens hem vooral wordt doorgedrukt omdat niemand de directeur wil tegenspreken, begint de werkelijke oefening misschien pas. Niet alleen bij degene die sprak, maar ook in wat er daarna in de ruimte gebeurt.
Verandering roept iets op
We denken bij weerstand tegen verandering gemakkelijk aan degene die niet wil bewegen: aan de medewerker die blijft vasthouden aan het oude, het team dat niet mee wil of de leidinggevende die zijn gedrag niet verandert. Maar verandering kan óók weerstand oproepen bij mensen die zelf helemaal niet degene waren van wie verandering werd gevraagd.
Dat hoeft geen onwil te zijn. Wanneer een ander werkelijk iets anders gaat doen, kan dat onzekerheid oproepen. Misschien weten we niet meer precies wat we kunnen verwachten. Misschien moeten we iets zelf gaan dragen wat eerder door iemand anders werd opgevangen. Misschien verliezen we overzicht, invloed of vanzelfsprekendheid. Soms verandert zelfs iets in hoe we onszelf binnen een relatie of team kennen.
De collega die altijd alles oploste, maakte het anderen misschien mogelijk om iets langer te laten liggen. De leider die uiteindelijk toch wel besliste, gaf een team misschien ook de mogelijkheid om niet helemaal zelf te hoeven kiezen. De partner die zich voortdurend aanpaste, zorgde wellicht voor rust waarvan beiden profiteerden. Wanneer één persoon werkelijk anders gaat handelen, verdwijnt daarom soms meer dan alleen een oud gedrag. Er verdwijnt ook iets waar de omgeving zich op had ingesteld.
Terug naar wat bekend is
Juist daar kan iets subtiels gebeuren. Niet noodzakelijk omdat iemand bewust denkt: ik wil dat jij weer wordt zoals vroeger. Veel vaker verschijnt het in kleine, op zichzelf begrijpelijke reacties: “Natuurlijk moet je je grens bewaken, maar dit is nu echt even uitzonderlijk.” Of: “Ik wil absoluut dat je zelfstandig beslist, maar bij dit soort zaken moet je mij wel meenemen.” Of: “Je weet dat je alles tegen mij kunt zeggen, maar de manier waarop je dat net deed…”
Geen van die reacties hoeft op zichzelf onredelijk te zijn. Er kunnen uitstekende redenen zijn om een uitzondering te maken, afstemming te vragen of iets over de manier van communiceren te zeggen. Het interessante zit daarom niet in die ene reactie, maar in wat er na verloop van tijd ontstaat.
Als iedere nieuwe grens uiteindelijk toch onderhandelbaar wordt zodra zij ongemak veroorzaakt, als autonomie steeds wordt begrensd wanneer de uitkomst afwijkt en als openheid vooral welkom blijft zolang zij niets wezenlijks verstoort, kan het oude geleidelijk opnieuw de meest begrijpelijke mogelijkheid worden. Niet omdat iemand niet wilde veranderen, maar omdat verandering nooit alleen plaatsvindt in degene die beweegt.
Verdragen is iets anders dan goedvinden
Dat betekent niet dat we iedere verandering van een ander moeten accepteren. Meer autonomie betekent niet dat iemand voortaan iedere beslissing zonder afstemming kan nemen. Een grens stellen ontslaat iemand niet van verantwoordelijkheid en openheid is geen vrijbrief om anderen te beschadigen. Ruimte laten voor verandering betekent dus niet dat alles wat nieuw is automatisch goed is.
Het vraagt iets moeilijkers: dat we niet iedere spanning die door verandering ontstaat onmiddellijk interpreteren als een teken dat er iets misgaat. Soms is ongemak precies wat ontstaat wanneer een vertrouwde verhouding werkelijk begint te bewegen. Dan is de vraag niet meteen hoe we dat ongemak kunnen wegnemen, maar of we lang genoeg kunnen blijven kijken om te ontdekken wat er eigenlijk verandert.
Misschien is dát de Shift
We spreken vaak over veranderbereidheid alsof die vooral zichtbaar wordt bij degene die een andere stap moet zetten. Maar misschien blijkt onze eigen veranderbereidheid juist in de seconden, dagen en weken daarna: wanneer iemand nee zegt waar vroeger ja kwam, zelf beslist waar vroeger toestemming werd gevraagd, niet langer opvangt wat hij altijd opving of iets zegt wat eerder onbesproken bleef.
Wat doen wij dan? Proberen we zo snel mogelijk weer zekerheid te creëren? Leggen we uit waarom het deze keer toch anders ligt? Maken we de nieuwe ruimte ongemerkt weer iets kleiner? Of kunnen we even verdragen dat iets wat vertrouwd was niet onmiddellijk terugkeert?
Dat is geen pleidooi voor passiviteit. Het is een uitnodiging om een moment langer te blijven bij wat verandering daadwerkelijk teweegbrengt, voordat we besluiten wat ermee moet gebeuren.
Misschien vraagt verandering daarom niet alleen moed van degene die beweegt, maar ook draagkracht van degene die niet langer precies krijgt wat hij gewend was.
***